Verantwoording straatpastor

Werkinhoudelijk 

De afgelopen vier jaar heb ik gemiddeld 1 dag per week als stagiair/onbezoldigd collega straatpastor verkend wat het werk van het staatpastoraat inhoudt. Ik heb netwerkcontacten aangehaald en opgebouwd met zowel de professionele hulpverlening als de gemeentelijke instanties. Met vrijwillige organisaties en vrijwilligers die zich inzetten voor de doelgroep van het straatpastoraat. Met kerken en mensen die het werk een warm hart toe dragen. Met de landelijke organisatie Netwerk Dak, welke mij ondersteunt, adviseert en voorziet van de nodige intervisie en deskundigheidsbevordering.
Maar bovenal met de mensen om wie het gaat; de dak- en thuislozen die ik ontmoet bij de inloophuizen en op straat in Eindhoven. In de, vaak wederkerige, ontmoeting ontstaat er iets op verschillende lagen, waar niet altijd taal voor te vinden is of meteen makkelijk is te duiden. En juist in deze lege ruimte gebeurt het straatpastoraat. In mijn afstudeeronderzoek probeer ik in een visiedocument voor de Stichting onder woorden te brengen welke betekenis deze ontmoeting heeft, zowel voor de ander als voor de straatpastor.  
 
De laatste jaren zijn er flink wat ontwikkelingen geweest binnen de wereld van de dak- en thuislozen, met name in de achtergrond van de groep, de toename, de maatschappelijke opvang en het overheidsbeleid met haar (lokale) regelgeving. Als straatpastoraat zitten we aan tafel met gemeente en professionele hulpverlening om onze ervaringen, zorgen en visie te delen. Waar nodig schakelen we (nood)hulp in of verwijzen we mensen door. Doordat we met aandacht, tijd, zonder oordeel en een lege agenda in gesprek kunnen met mensen, waardoor vaak andere gesprekken ontstaan en we het verhaal achter de mens mogen horen. Het wordt ons niet altijd in dank afgenomen, maar laat een belangrijk tegengeluid horen wat juist voor beleidsmakers waardevolle informatie kan zijn.  
 
Die ene dag in de week heb ik een redelijk vaste routine als ik geen afspraken heb staan. Mede doordat ik nog als stagiaire rondloop, heb ik nog niet zoveel mogelijkheden en middelen om echt te zoeken naar wat behoeften of verlangens zijn van mensen waarbij we als straatpastoraat echt van betekenis kunnen zijn. Op het moment dat ik echt als professional ‘de straat opga’, wil ik me allereerst echt laten opgaan in de context. Ik zou graag een week mee willen lopen met de straatwerkers van Eindhoven, welke de echte ‘verborgen’ plekjes kennen. Hun verhaal horen en leren van wat zij ervaren en waar ze tegenaan lopen. Ik wil me laten betrekken bij het professionele netwerk, zodat ze ook mij zien als collega (nu bijv. nog niet in een appgroep van de winternoodopvang). Ik wil, waar het ontstaat, wat individueler met mensen kunnen optrekken en in kunnen gaan op een uitnodiging/aanbod zoals ‘s morgens heel vroeg in een bakfiets van een dakloze rondgereden te worden om zo te zien waar iedereen slaapt of om een dagje met hen mee op te trekken en plekken te bezoeken die voor hen van betekenis zijn. Onderzoeken wat de behoefte is aan spirituele ruimte; wat dat betekent en hoe dat er uit kan zien. Luisteren, reflecteren, vertragen en ontmoeten. De ander van betekenis laten zijn voor mij en van betekenis zijn voor de ander. Hieruit kunnen allerlei initiatieven ontstaan, waar ik nu nog geen zicht op heb. Te denken valt aan een stilteplek waar evt. een viering gehouden kan worden. Bij collega straatpastores zijn spontane maaltijdmomenten ontstaan, uitvaartrituelen bedacht, boekjes met levensverhalen of gedichtenbundels uitgebracht en in mijn stagetijd hebben mijn collega en ik een tandartsenfonds opgericht. Maar allemaal vanuit een vraag, niet vanuit een individueel verlangen van de pastor zelf.  
 
Voor mij hebben de ontmoetingen die ik tot nu toe gehad heb ook een theologische betekenis. Ik vind het belangrijk om mijn ervaringen en reflecties daarin te delen. De groep mensen met wie ik werk laten me, bedoeld of onverbloemd, zien in welke maatschappij we leven en wat het kan betekenen als geen onderdeel voelt van die samenleving. Het zegt iets over mijn maatschappelijke positie waar onderdeel van uit maak, maar me ook vervreemd van kan voelen. Het doet iets met mijn wereldbeeld, mijn mensbeeld en vooral mijn Godsbeeld. Vooral dat laatste wil ik mee terug nemen naar de (ondersteunende) kerken. Gods toewending richting de meest onaanzienlijken van onze stad leert me zien en doet me beseffen hoeveel Hij om deze mensen geeft en hoe Hij daarbij aanwezig wil zijn. Hij openbaart Zich in hen naar mij toe en via mij naar hen en leert ons daarbij ontdekken dat we broers en zussen zijn. Ik wil mijn werk starten met een exposure, waarbij ik een aantal weken wil laten opgaan in de context van het werk en de doelgroep zoals ik hierboven beschreven heb. Hierbij wil ik me laten begeleiden door een supervisor van Netwerk Dak, met wie ik op zoek ga naar wie ik, vanuit mijn biografie, ben en wil zijn in mijn werk als straatpastor. Hierbij zal reflectie en het duiden van mijn (theologische) betekenis van het werk centraal staan. Hoe breng ik wat ik zie, denk, voel en ervaar in betrekking en geef ik taal aan wat dit betekent voor de ander en voor mij. En hoe keert deze betekenis terug naar mensen die dit werk een warm hart toedragen. Wat kunnen we (als kerken) brengen en wat hebben we te ontvangen… 
Tegelijk wil ik nadenken over hoe ik dit werk daadwerkelijk invulling wil geven. En welke middelen ik daarbij nodig en ter beschikking heb. Hoe ik daar gebruik van ga maken. Ik denk daarbij aan één of meerdere werklocaties, opbrengsten van collectegeld, vraag aan en aanbod van vrijwilligers… 
Ik weet heel veel en tegelijk heb ik geen idee. Met die open en onbevangen houding wil ik beginnen aan deze job.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *